Hollandsche Kant
In het begin van de 20e eeuw werd de Hollandsche kant ontwikkeld. Dit is een guipure kant met veel linnenslag en halve slag-vlakken verbonden met vlechten. De motieven zijn over het algemeen geometrisch of het zijn gestileerde bloemmotieven.
In die tijd werden er verschillende kantscholen in Nederland opgericht om meisjes in de gelegenheid te stellen het kantvak te leren en zo in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De bekendste zijn de Rijkschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam, de kantschool "Ieder voor allen" in Wijdenes en de Nederlandsche Kantvereeniging Het Molenwiekje in o.a. Westkapelle.
De Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam werd in 1881 opgericht en was gevestigd in het Rijksmuseum. 2 bekende kantontwerpsters waren aan deze school als docenten verbonden, nl. mevr. L.W. van der Meulen-Nulle (1911-1915) en mevr. L.P.J. de Jager Meezenbroek-van Beverwijk (1919-1923). De eerste is vooral bekend om haar ontwerpen in duchesse kant. De laatste was een groot voorvechtster van de Hollandsche kant. Haar ontwerpen waren streng geometrisch met zo nu en dan strak gestileerde bloemmotieven.
De kantklossters hadden vroeger nog niet de beschikking over de kopieertechnieken, die wij tegenwoordig hebben. Er waren nog geen kopieerapparaten, computers en scanners. De kantbrieven moesten met de hand worden gekopieerd. In de boeken worden daarom de kantbrieven vaak alleen met de motieven en vlechten in lijnen getekend. Hooguit het eerste motief werd gedetailleerd ingetekend of elders stond dat als werktekening opgenomen.
In het Leerboek voor het klossen van Kantwerk door mevr. De Jager Meezenbroek staat uitvoerig uitgelegd hoe de kantbrieven getekend moeten worden. Over het algemeen werd dit gedaan op milimeterlinnen (milimeterpapier versterkt met textiel). Ook werden de patronen overgetrokken. Dit werd dan met een karton op het kussen geprikt.
Een derde manier was het zorgvuldig doorprikken van een vaak al gebruikte kantbrief naar een nieuwe. Deze moest na het doorprikken ingetekend worden. Hiervoor werd stevig groen karton gebruikt. Voor de tekeningen werd Oost-indische inkt gebruikt, omdat dit niet afgaf. Immers er werd direct op de kantbrieven geklost. Plastic folie, zoals we dat tegenwoordig gebruiken, bestond nog niet.

Het voorbeeld van de groen kartonnen kantbrief is een boekenlegger naar een patroon van mevr. M. Schutten-Putters. Zij was directrice van de Nederlandsche Kantvereeniging Het Molenwiekje in West-Kapelle. Hier gaf ze 2x per jaar 1 week les. De rest van het jaar gaf ze kantklosles in Hoorn.
Haar ontwerpen zijn veelal gestileerde bloemmotieven. Voor "beginnerskantjes" gebruikte zij ook veel geometrische motieven. Haar bloemmotieven zijn niet zo strak gestileerd als die van mevr. De Jager Meezenbroek.

Doordat de patronen zelf getekend moesten worden, werden ze ook in veel vormen gebruikt; rond, vierkant en ovaal. Ze waren ook lang in omloop en verder tot ver in de 20ste eeuw geklost. Een voorbeeld hiervan wil ik u niet onthouden. In het boek "Hollandsche Kant met passer en lineaal" van de LOKK staat een kantje opgenomen als een hoek. Het ontwerp komt van de Amsterdamse Kantschool. Veel klossters kennen dit kantje als het "Chinese tempeltje". Het werd en wordt veel gebruikt op kantkloslessen om het innemen en uitleggen van vlechten te oefenen.
Het voert te ver om hier alle ontwerpsters van de Hollandsche Kant te noemen. Dat waren er velen, ook doordat er in die tijd verschillende kantopleidingen waren. Meer informatie over de genoemde ontwerpsters en al die anderen vindt u in het boek "Hollandsche Kant met passer en lineaal" van de LOKK.
